Privérit ondanks zakelijk belang
Een werknemer met een auto van de zaak krijgt hier in principe een bijtelling voor, tenzij hij de auto niet voor privédoeleinden gebruikt. Het is niet altijd duidelijk of een rit als zakelijk of als privé moet worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft hier onlangs over geoordeeld.
Een directeur-grootaandeelhouder (dga) reed een auto van de zaak. De Belastingdienst stelde een boekenonderzoek in naar het privégebruik van de auto en merkte op dat de dga op enig moment op en neer naar Oostenrijk was gereisd, waar de dga een zakelijke afspraak had. Hij nam zijn gezin mee naar Oostenrijk en combineerde zijn zakelijke afspraak met een vakantie met zijn gezin. De Belastingdienst stelde dat deze autorit niet zakelijk was maar een privékarakter had. Als dat het geval was, zou de dga voor het hele jaar worden geconfronteerd met een bijtelling omdat hij dan namelijk op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer privé had gereden.
De Hoge Raad oordeelde dat de rit naar Oostenrijk naast een zakelijk doel ook een privé doel had, zonder dat één van beide het hoofddoel was. Om als zakelijk te worden aangemerkt, was essentieel dat de rit door iemand die niet een dienstbetrekking als de dga had maar in vergelijkbare levensomstandigheden verkeerde, niet een dergelijke rit zou hebben gemaakt. Omdat tegenwoordig veel mensen naar Oostenrijk rijden voor het doorbrengen van een vakantie, bestempelt de Hoge Raad de rit als privé en wordt de dga voor het hele jaar geconfronteerd met een bijtelling van de auto.
Bronvermelding: Vaknieuws Register Belastingadviseurs
Foto's

